Home  |  Artikels  |  Citaten


Verzet tegen klimaathysterie


Richard S. Lindzen, 26 juli 2009


Richard S. Lindzen
Richard S. Lindzen

De notie van een statisch, onveranderlijk klimaat is in strijd met de geschiedenis van de aarde of gelijk welke andere planeet met een dampkring. Het feit dat de ontwikkelde wereld hysterisch werd over variaties in de gemiddelde mondiale temperatuur van een paar tienden van een graad zal toekomstige generaties versteld doen staan. Een dergelijke hysterie verte­gen­woordigt gewoonweg de wetenschappelijke ongeletterdheid van een groot deel van het plubliek, de vatbaarheid van het publiek voor het vervangen van de waarheid door herhaling, en de exploitatie van deze zwakheden door politici, milieuactivisten en, na 20 jaar van mediagedram, eveneens vele anderen.

Het klimaat verandert altijd. We hebben ijstijden gehad en warmere periodes waarin alligators werden gevonden in Spitzbergen. IJstijden hebben zich voorgedaan in cycli van honderduizend jaar gedurende de laatste 700.000 jaar, en er zijn periodes geweest die klaarblijkelijk warmer waren dan de huidige ondanks lagere C02-niveaus dan vandaag. Meer recentelijk hadden we de middeleeuwse warme periode en de kleine ijstijd. Tijdens deze laatste groeiden alpengletsjers ten nadele van dorpen die werden weggevaagd. Sinds het begin van de 19de eeuw zijn deze gletsjers zich aan het terugtrekken. Eerlijk gezegd begrijpen we dat groeien noch terugtrekken helemaal.

Voor kleine klimaatveranderingen geassocieerd met tienden van een graad, hoeft er geen externe oorzaak te zijn. De aarde is nooit precies in evenwicht. De bewegingen van de immense oceanen waar warmte wordt verplaatst tussen diepe lagen en de opper­vlakte, leveren variabiliteit op een tijdschaal van jaren tot eeuwen. Recent werk (Tsonis et al, 2007) suggereert dat deze variabiliteit voldoende is om alle klimaatveran­deringen sinds de 19de eeuw te verklaren.

De notie dat de mens niet de oorzaak is geweest van deze normale verandering in tem­peratuur wordt ondersteund door het feit dat er een duidelijk kenmerk is voor broeikas­opwarming: opwarming aan het aardoppervlak moet gepaard gaan met een opwarming in de tropen op een hoogte van ongeveer 9 km die ongeveer 2,5 maal groter is dan aan de oppervlakte. Metingen tonen aan dat de opwarming op deze hoogtes slechts ca. 3/4de is van wat men meet aan de oppervlakte, waaruit volgt dat slechts een derde van de op­warming aan de oppervlakte kan geassocieerd worden met het broei­kaseffect, en wel­licht is maar een deel van zelfs deze zeer geringe opwarming door de mens veroorzaakt (Lindzen, 2007, Douglass et al, 2007).

Hieruit volgt verder dat alle modellen die een significante opwarming voorspellen de op­warming ruim overschatten. Dit hoeft niet te verbazen (hoewel men in de klimaatwe­ten­schap bij een conflict tussen data en modellen van een kleine kliek van wetenschappers kan verwachten dat ze de data aanpassen. Zo beweren Santer et al (2008) dat het oprekken van onzekerheden in waarnemingen en modellen de onverenigbaarheid zou kunnen opheffen. Dat de data altijd zouden moeten gecorrigeerd worden om overeen te stemmen met de modellen is compleet ongeloofwaardig en tekenend voor een zekere corruptie binnen de wetenschappelijke gemeenschap).

Het blijkt dat er een meer fundamentele en ondubbelzinnige controle bestaat voor de rol van terugkoppelingen in het versterken van broeikasopwarming die eveneens aantoont dat alle modellen de klimaatgevoeligheid ruimschoots overdrijven. Hierbij dient vermeld te worden dat het broeikaseffect functioneert door het verhinderen van afkoeling van het klimaat door het verminderen van de netto uitgaande straling. Nochtans leidt de bijdrage van toenemende CO2 op zich niet tot veel opwarming (ongeveer 1░C voor elke verdub­beling van CO2). De voorspellingen van sterkere opwarming door klimaat­modellen zijn te wijten aan het feit dat, binnen deze modellen, de meer belangrijke broeikassubstan­ties, waterdamp en wolken, zorgen voor een aanzienlijke versterking van alles wat CO2 doet. Dit wordt een positieve terugkoppeling genoemd. Het betekent dat een stijging van de oppervlaktetemperatuur gepaard gaat met een vermindering van de netto uitgaande straling en zo de broeikasopwarming versterkt. Alle klimaatmodellen tonen zulke veran­deringen uitgaande van geobser­veerde oppervlaktetemperaturen.

Erbe
Satelliet voor Earth Radiation Budget Experiment (ERBE)

Satellietwaarnemingen van de stralingsbalans van de aarde maken het mogelijk om te bepalen of zo'n verminder­ing wer­kelijk gepaard gaat met een toename van de oppervlakte­tempera­tuur waar dan ook. Uit satellietgegevens van het Erbe-toestel (Barkstrom, 1984, Wong et al, 2006) blijkt dat de terugkoppe­ling sterk negatief is en dus het directe effect van CO2 sterk vermindert (Lindzen and Choi, 2009), dit in volle­dige tegen­stelling met het gedrag van modellen. Deze analyse maakt duidelijk dat zelfs wanneer alle modellen het met elkaar eens zijn, ze allemaal fout kunnen zitten, en dit is het geval voor de uiterst belang­rijke vraag van klimaat­ge­voelig­heid.

Volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN bestaat de broeikasterugkoppeling van door de mens uitgestoten broeikasgassen reeds voor onge­veer 86% van wat men verwacht uit de verdubbeling van CO2 (waarvan ongeveer de helft afkomstig is van methaan, lachgas, freon en ozon), en alarmerende voorspellingen zijn gebaseerd op modellen die een gevoeligheid voor een verdubbeling van CO2 ver­onderstellen die groter is dan 2░C, hetgeen impliceert dat we reeds veel meer opwar­ming zouden moeten gehad hebben dan we tot nu toe hebben gezien, zelfs als alle waar­genomen opwarming door de mens veroorzaakt zou zijn. Deze tegenstelling wordt nog verscherpt door het feit dat er tijdens de laatste 14 jaar geen statistisch significante netto opwarming van de aarde is geweest. Modelmakers antwoorden hierop dat aërosolen de opwarming grotendeels ongedaan hebben gemaakt, en dat modellen voldoende rekening houden met natuurlijke onversterkte interne variabiliteit.

Nochtans toont een recente studie (Ramanathan, 2007) aan dat aërosolen zowel opwar­ming als afkoeling kunnen veroorzaken, terwijl wetenschappers van het Britse Hadley Centre for Climate Research onlangs opmerkten dat hun model niet voldoende rekening hield met de natuurlijke interne variabiliteit waarmee ze de basis van de iconische IPCC-bijdrage vernietigden (Smith et al, 2007). Wat hierbij interessant (hoewel niet onver­wacht) is, is dat de Britse studie dit niet benadrukte. De auteurs speculeerden eerder op het verdwijnen van de natuurlijke interne variabiliteit in 2009, hetgeen een hervatting van de opwarming mogelijk zou maken. Hervatting? Dus het feit dat de opwarming gestopt is gedurende de afgelopen 14 jaar wordt erkend. Het dient gezegd dat, meer recentelijk, Duitse modelmakers de datum voor de "hervatting" hebben opgeschoven naar 2015 (Keenlyside et al, 2008).

Klimaatalarmisten antwoorden dat een aantal van de warmste geregistreerde jaren zich hebben voorgedaan tijdens het afgelopen decennium. Als we ons in een relatief warme periode bevinden is dit niet verbazingwekkend, maar dit zegt niets over trends.

Aangezien uit de gegevens (en ik heb er maar een paar gegeven uit een grote reeks) duidelijk blijkt dat men de antropogene opwarming sterk overdreven heeft, is de basis voor alarmisme ten gevolge van zulke opwarming eveneens versmald. Maar een zeer belangrijk punt is dat het alarmisme nog steeds zwak zou staan als de antropogene opwarming significant zou zijn. IJsberen, zomerijs in de poolzee, regionale droogtes en overstromingen, verbleking van koraal, orkanen, alpengletsjers, malaria, enz., hangen niet allemaal af van een mondiaal gemiddelde oppervlaktetemperatuur, maar van een enorm aantal regionale variabelen waaronder temperatuur, vochtigheid, bewolking, neerslag, en de richting en sterkte van de wind. De toestand van de oceaan is dikwijls ook cruciaal. Onze bekwaamheid om deze variabelen te voorspellen over een periode van meer dan een paar dagen is minimaal (een vooraanstaande modelmaker noemt dit hoofdzakelijk giswerk).

Nochtans gaat elke alarmistische voorspelling ervan uit dat elk van deze variabelen zich in een welbepaald gebied bevindt. De kans dat een specifieke ramp zich ook werkelijk zal voordoen is zo goed als nul. Dit was eveneens het geval bij eerdere voorspellingen van hongersnood voor de jaren 1980, afkoeling van de aarde in de jaren 1970, de millenniumbug en vele andere. Op regionaal vlak zijn temperatuurschommelingen op jaarbasis meer dan vier keer groter dan schommelingen van het mondiaal gemiddelde. Een groot deel van deze variatie moet onafhankelijk zijn van het mondiaal gemiddelde; anders zou dat gemiddelde veel sterker variëren. Dit wil zeggen dat andere factoren dan de opwarming van de aarde belangrijker zijn voor gelijk welke specifieke situatie. Dit wil niet zeggen dat er geen rampen kunnen gebeuren; die hebben zich altijd voorgedaan en dat zal in de toekomst niet veranderen. Het bekampen van de opwarming met symbo­lische gebaren zal hier zeker geen verandering in brengen. Maar de geschiedenis leert ons wel dat een grotere welvaart onze veerkracht aanzienlijk kan doen toenemen.

In het licht van het voorgaande mag men zich rederlijkerwijs afvragen waarom het hui­dige alarmisme er is, en meer in het bijzonder, waarom zich de laatste 4 jaar een verba­zing­wekkende opleving van alarmisme heeft voorgedaan. Wanneer een kwestie zoals de opwarming van de aarde gedurende meer dan twintig jaar voorhanden is, worden vele agenda's ontwikkeld om de zaak de exploiteren. De belangstelling van de milieubewe­ging voor het verwerven van meer macht, invloed en inkomsten is evident. Hetzelfde geldt voor bureaucraten die de controle over CO2 zien als een droom die in vervulling gaat. Tenslotte is CO2 het product van het ademhalen zélf. Politici zien de mogelijkheid van een belasting die op gejuich wordt onthaald omdat ze noodzakelijk is voor het "redden" van de aarde. Landen hebben gezien hoe ze deze kwestie kunnen uitbuiten om concurrentievoordelen te realiseren. Maar ondertussen is er veel meer dan dat.

De zaak Enron (een bankroet Texaans energiebedrijf) is illustratief in dit opzicht. Alvo­rens ten onder te gaan in een spectaculaire vertoning van gewetenloze manipulatie, was Enron een van de meest fervente lobbyisten voor Kyoto. Het hoopte een bedrijf te wor­den voor de handel in emmissierechten. Dit was geen klein bier. De waarde van deze rechten kon gemakkelijk oplopen tot meer dan een biljoen dollar, en de commissies tot vele miljarden. Hedge funds zijn druk bezig de mogelijkheden te onderzoeken; en dat was ook het geval bij Lehman Brothers. Goldman Sachs heeft uitgebreid gelobbyd voor de wet op de emmissiehandel, en is goed geplaatst om miljarden te verdienen. Het is waarschijnlijk geen toeval dat Gore zelf geassocieerd is met zulke activiteiten. De ver­koop van aflaten is al volop aan de gang met organisaties die compensaties verkopen voor ecologische voetafdruk­ken terwijl ze soms toegeven dat die compensaties irrelevant zijn.

De mogelijkheden voor corruptie zijn immens. Archer Daniels Midland (Amerika's grootste landbouw­con­cern) heeft met succes gelobbyd voor verplichte toe­voeging van ethanol aan benzine en de resulteren­de vraag naar ethanol kan nu al aan het bijdragen zijn tot sterke verhogingen van de ma´sprijzen en de bijhoren­de ontberin­gen in ontwik­kelingslanden (om nog maar te zwijgen over slechtere motorprestaties). Ten slotte zijn er de talrijke goedmenende indi­vi­duen die zich door propagandisten hebben laten wijs­maken dat ze met het accepteren van de alarmistische visie van antropogene klimaat­verandering blijk geven van intelligentie en deugdzaamheid. Voor hen gaat het om hun geestelijk welzijn.

Wanneer dit alles op het spel staat kan men verwachten dat er een zeker gevoel van urgentie ontstaat bij de mogelijkheid dat de opwarming gestopt kan zijn en dat de theorie van een grotendeels door de mens veroorzaakte opwarming aan het instorten is. Voor degenen die zich ingezet hebben voor de meer corrupte agenda's is de behoefte aan snelle actie, voordat het publiek zich bewust wordt van de situatie, inderdaad reëel. Maar voor de ernstiger leiders is er duidelijk een noodzaak om de hysterie moedig te bestrijden. Het verspillen van rijkdommen voor het symbolisch bekampen van de altijd aanwezige klimaatverandering is geen teken van voorzichtigheid. Evenmin is de veron­derstelling dat het klimaat van de aarde in het midden van de twintigste eeuw een top­punt van perfectie heeft bereikt een teken van intelligentie.


Richard S. Lindzen is hoogleraar meteorologie aan de afdeling Atmospherische Wetenschappen van het Massachusetts Institute of Technology

Referenties:

Barkstrom, B.R., 1984: The Earth Radiation Budget Experiment (ERBE), Bull. Amer. Meteor. Soc., 65, 1170–1185.

Douglass,D.H., J.R. Christy, B.D. Pearsona and S. F. Singer, 2007: A comparison of tropical temperature trends with model predictions, Int. J. Climatol., DOI: 10.1002/joc.1651

Keenlyside, N.S., M. Lateef, et al, 2008: Advancing decadal-scale climate prediction in the North Atlantic sector, Nature, 453, 84-88.

Lindzen, R.S. and Y.-S. Choi, 2009: On the determination of climate feedbacks from ERBE data, accepted Geophys. Res. Ltrs.

Lindzen, R.S., 2007: Taking greenhouse warming seriously. Energy & Environment, 18, 937-950. 

Ramanathan, V., M.V. Ramana, et al, 2007: Warming trends in Asia amplified by brown cloud solar absorption, Nature, 448, 575-578.

Santer, B. D., P. W. Thorne, L. Haimberger, K. E. Taylor, T. M. L. Wigley, J. R. Lanzante, S. Solomon, M. Free, P. J. Gleckler, P. D. Jones, T. R. Karl, S. A. Klein, C. Mears, D. Nychka, G. A. Schmidt, S. C. Sherwood, and F. J. Wentz, 2008: Consistency of modelled and observed temperature trends in the tropical troposphere, Intl. J. of Climatology, 28, 1703-1722.

Smith, D.M., S. Cusack, A.W. Colman, C.K. Folland, G.R. Harris, J.M. Murphy, 2007: Improved Surface Temperature Prediction for the Coming Decade from a Global Climate Model, Science, 317, 796-799.

Tsonis, A. A., K. Swanson, and S. Kravtsov, 2007: A new dynamical mechanism for major climate shifts, Geophys. Res. Ltrs., 34, L13705, doi:10.1029/2007GL030288

Wong, T., B. A. Wielicki, et al., 2006: Reexamination of the observed decadal variability of the earth radiation budget using altitude-corrected ERBE/ERBS nonscanner WFOV Data, J. Climate, 19, 4028–4040.


Bron: Resisting climate hysteria.



Home  |  Artikels  |  Citaten